Bezoek aan vader

15-12-2013

In de wandkast staan fotolijstjes. Op een ervan zie ik een vervallen pandje met een klokgevel. Het is een zwart wit foto en hij is niet helemaal scherp. Het ouderlijk huis in de Palmstraat in de Jordaan. Al lang afgebroken.

We bekijken de andere foto’s van de kleinkinderen. Iris lijkt op mijn Karen. Niet in werkelijkheid waarschijnlijk. Maar op de foto in de wandkast zijn er opvallende gelijkenissen.
De vader van Willem zit met zijn stoel vlak naast de glazen pui die uitziet op een mooi aangelegde tuin. Hij oogt broos. Tegenover hem zit de jonge Willem. Ze kijken elkaar aan. Er vallen gaten in het gesprek. Ondertussen kijk ik rond. In alle details van de woonkamer is de hand van een vrouw aanwezig. In de planten. In hoe de ruimte is ingericht. In de kleuren.

‘Het is nog maar kort geleden, he?’
‘Ja. In 2011 is ze overleden.’
‘Kookt u zelf? Of laat u maaltijden komen?’
‘Ik probeer het. Maar in Sterrenburg zit een goede groenteboer.’
‘Hee, die ken ik. Bresser. Daar haalt mijn moeder wel eens hutspot.’
Hij loopt naar de koelkast, opent hem en toont met een triomfantelijke blik twee plastic bakjes: een met hutspot en een met zuurkool.
Dan vertelt hij hoe zijn vrouw voor de maaltijden zorgde en dat hij de aardappelen schilde. Hoe ze appelflappen bakte. Hoe hij de appelen van het klokhuis ontdeed. En dat ze hem daarna de keuken uitjoeg. Hij lacht er voorzichtig bij. We praten over eindigheid. De stilte erna voelt droevig aan. En dan zegt hij: ‘Laten we het maar over wat vrolijkers hebben.’
‘U heeft gelijk’. Ik voel me schuldig, omdat ik zonder het te willen in een wond heb geroerd.

Opeens staat hij op beweegt bijna verend naar het halletje aan de voorkant van het huis en keert terug met een steunzool in de hand. ‘Kijk. Ik liep heel moeilijk, maar nu gaat het heel goed. Dat zo’n klein stukje staal zoveel verschil uitmaakt. Vroeger deed ik in huis mijn pantoffels aan. Nu trek ik ’s morgens al mijn schoenen aan met deze erin en ik loop weer als de bekende kievit.’ Hij leunt achterover en steekt zijn rechtervoet omhoog. Daaraan prijkt een zwarte brogue.
‘Gaat u weleens lekker buiten wandelen?’
‘Dat zou ik kunnen doen’, zegt hij langzaam en een beetje peinzend. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig.
‘Maar dan ben ik weer heel snel terug. Want waar zou ik naar toe moeten gaan?’
Tja, waarheen? Ik weet zo gauw geen antwoord. En er valt weer een stilte.

Als Willem naar het toilet gaat kijkt hij me aan. Haalt met een schokkerige beweging zijn schouders op.
‘Ik weet niet meer wat ik moet zeggen.’
Ik glimlach naar hem en zie een bevende mondhoek. Ik buig naar hem toe, wil eigenlijk mijn hand op zijn arm leggen. Maar ik doe het niet en erger me aan mijn eigen geremdheid. In plaats daarvan zeg ik:
‘U heeft een fijne zoon. Ik ben blij dat ik hem heb leren kennen’.
Hij lacht en mompelt. ‘Ik was heel wat keren boos op hem, hoor. Dat heb je met je eigen dochters toch ook?’
‘Jazeker, maar ik houd ook heel veel van hen’.
Hij knikt aarzelend. Of hij eraan twijfelt dat dat samen kan gaan. Ik moet denken aan wat Wim vertelde over vroeger. Dat hij, wat er ook gebeurde, van zijn ouders hoorde: ‘Doe maar gewoon’.
Ik trek mijn gezicht terug in de plooi, want Willem is weer in de kamer.
‘Zullen we gaan?’ zegt hij.
‘Ok.’
‘Dag pa.’
‘Dag Wim.’
‘Dag Gusta, ik zie je vast nog wel een keer.’
‘Ja hoor, dat zit er dik in!’
Hij loopt mee naar de deur. Blijft staan terwijl we een heel eind verderop in de auto stappen. Ik zwaai naar hem. Hij beweegt de ene hand naast zijn hoofd, het lijkt op wuiven, de andere houdt de deurpost vast, en kijkt ons na tot we de hoek om zijn.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.