Herinnering aan Charlois (1)

In mijn gedachten heb ik het beeld van de melkboer die zijn eigen producten uitventte met paard en wagen. Of hij werkelijk koeien had weet ik niet. Mijn moeder had een aluminium melkkoker met een gatendeksel, waarin uit een grote melkbus die achterop de wagen stond melk werd getapt. Er waren ijzeren kratten vol glazen flessen, gevuld met karnemelk, yoghurt en vla. Het paard had aan de zijkant van zijn hoofd leren lappen, dan kon het niet opzij kijken of schrikken.

Ik kwam van Zuid waar alleen boeren woonden, zo las ik later in een boek over oud-Rotterdam. Rotterdam-Zuid had inderdaad weinig met een stad te maken. De wijk Charlois was de uitbreiding van een voormalig dorp waar de naoorlogse huizen vanwege de enorme woningnood uit de grond waren gestampt. Mijn ouders betrokken er in 1950 een driekamerwoning op de 2e etage van de Nieuwenhoornstraat.

Als kleuter speelde ik in de Bakkerstraat, de Huismanstraat, de Boergoensevliet, de Struitenweg, de Verboomstraat, de Landmanstraat en de Akkermanstraat. In de Landmanstraat stond de Montessori kleuterschool. Mijn juf heette Bonneur. LandmanstraatMijn broertje kwam bij juffrouw Helbers in de klas, een nogal kattige oudere vrouw. Daarom spijbelde hij zo jong als hij was! Ook was er een juffrouw Corry voor de schoonmaak en de koffie. Ik weet nog dat we op een dag een enorme bons hoorden. Toen viel  ze van de trap, tijdens het schoonmaken van een lamp aan het plafond in de gang. Hoe het haar uiteindelijk is vergaan is me niet bekend.

Schuin tegenover mij woonde Tonnie op de eerste verdieping, in het oudste deel van de straat. Beneden bevonden zich het pakhuis en het kruidenierswinkeltje van Admiraal de waterstoker. Hij had een pet op en liep op klompen. Altijd een stompje sigaar of sigaret in de mondhoek, dat als hij praatte op wonderlijke wijze bleef hangen en meebewoog met de bewegingen van zijn kin.Admiraal Bakkerstraat

Waterstoker was een woord dat voor mij geen betekenis had. Pas later besefte ik dat het iets met leveren van heet water te maken had, aangezien de huizen geen geiser of boiler hadden. Ik haalde er geregeld voor mijn moeder een boodschap en op zaterdag werd het wekelijkse snoepdubbeltje na eindeloos wikken en wegen uitgegeven aan spek, gelukstoffes, bazooka kauwgom, jojodrop of een schuimblok.

Ik herinner me dat er vaak een draaiorgel door de straat kwam, voortgetrokken door een schonkig paard. Soms stopte het bij ons portiek. Na een poosje pierementmuziek werd er gebeld en rammelde de orgeldraaier uitnodigend met zijn centenbakje. Die man was een arme sloeber, dat zag je meteen. Hij droeg een ouwe jas en aan zijn handen zaten handschoenen zonder vingers. Hij woonde trouwens om de hoek in de Verboomstraat. Ik gluurde weleens naar binnen, dan moest ik op mijn tenen staan want ik haalde maar net de vensterbank. Er lag daar niet eens een kleed op de grond, de tafel stond zo maar op de houten vloer. Behalve de tafel waren er een paar stoelen, meer meubilair was er niet. Die man had daar natuurlijk geen geld voor. Ik hoopte een glimp van het orgel of het paard op te vangen, maar altijd als ik keek waren ze nog ergens onderweg.

Bij Tonnie rook het naar vochtig oud huis, vooral bij de ingang. We mochten niet vaak binnen spelen. De moeders van toen waren veel te druk met het huishouden en kinderen liepen hen dan maar voor de voeten. Gelukkig was er buiten genoeg te beleven.

Tonnie was een tijdlang mijn vriendinnetje. Ze had twee dezelfde tantes die je alleen uit elkaar kon houden omdat de ene mank liep vanwege een kunstbeen. Hoe dat is gekomen weet ik niet. Ze woonden bij de oma van Tonnie, in de Verboomstraat vlakbij de ambachtsschool. Wij mochten daar af en toe op woensdagmiddag televisie kijken. De mensen deden nog de gordijnen dicht, want het moest donker zijn als in de bioscoop. Altijd was er de verrekijker en erna volgden programma’s als Dappere Dodo, Koko en de vliegende Knorrepot, Pipo de Clown of Vier Veren Val. Tenslotte zwaaide Tante Hannie met gekruiste armen naar ons.

Bij Tonnie’s oma kwam ook een oom. Hij was de vriend van een van de tantes en gul met kwartjes voor patat die we op de Zuidhoek bij Mout gingen kopen. Op een dag was ik even met hem alleen in de woonkamer. Hij pakte mijn hand, legde hem op zijn broek en zei me te knijpen. Ik voelde me onbehaaglijk, maar durfde geen nee te zeggen. Slechts eenmaal kneep ik, om meteen mijn hand terug te trekken. Doe maar, zei hij, maar toen kwam Tonnie de kamer binnen. ‘Niet doen hoor, hij is een viezerik’, riep ze. Tonnie kende de oom kennelijk beter. We kregen het kwartje. Ook al besefte ik niet de reikwijdte van het woord ‘viezerik’, ik vermeed het daarna bij Tonnies oma op bezoek te gaan. Helaas was daardoor het televisiekijken afgelopen. In 1961 kochten mijn ouders de eerste televisie en kon ik thuis naar Felicio, Klukkluk, Mammaloe en de Dikke Deur kijken.

Op een dag mocht ik niet meer met Tonnie spelen. Ik begreep niet wat ik fout had gedaan. Haar moeder zei tegen mijn moeder dat ik te veel vloekte. Nou  dat kon ik, als een Rotterdamse bootwerker. Nog trouwens.

Beduimeld en wel heb ik al die jaren een klein rood boekje met glimmend rode plastic kaft bewaard. Op de plaats waar ooit het beweegbaar oog van een vogeltje zat, is nu een gat. Bovenaan staat in vage krulletters Poesie te lezen. Mijn “poesiealbum”. Tonnie heeft er ook in geschreven, op 2 maart 1961. Haar versje was vergezeld van de zin: ‘mijn pen word droog, dus sluit ik deze album toe’.

2 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.